Ik heb haast en wil voor de files uit het drukke Utrecht ontvluchten. Dan vraagt een oudere Marokkaanse man mij of ik hem een ritje wil geven naar het Centraal Station. Ik protesteer van binnen, maar stem toch in. Een reis vol vooroordelen volgt.

De man met de troostende glimlach

Vrede met jou

Mijn werkdag in Utrecht zit er op en ik sta op het punt in de auto te stappen. Eindelijk naar huis, naar het rustige Hengelo. Benen strekken, hapje eten, kinderen in bed stoppen en dan de dag doornemen met mijn betere wederhelft. Ik moet snel weg anders kom ik in de file terecht. Tikje op mijn schouder. “Selam aleykum!” Vrede met jou, betekent dat. Ik kijk om en zie een man in een wit gewaad, met een witte baard en een wit kapje op zijn hoofd. Vriendelijk gezicht. Dat is waarschijnlijk een imam. Ook vrede met jou, zeg ik. “Aleykum selam, waarmee kan ik u helpen?” De man vraagt of ik hem een rit wil geven naar het Centraal Station.

Ik reken razendsnel uit: ritje naar de binnenstad levert mij een half uurtje vertraging op en dan kom ik in de files terecht! Ik twijfel. De man glimlacht. Hij heeft gelijk mijn zwakke plek te pakken. Ik kan geen glimlach weigeren en ik laat de man instappen. Hij zwaait opeens met zijn hand en kijkt over mijn schouder. Ik draai me om en zie een vrouw met een klein kind naar ons toekomen. Ze is gewikkeld in een zwart gewaad, maar haar gezicht is zichtbaar. “Vrouw, kind, ook meekomen,” zegt hij. Ik trek een grimas. Weer troost de man mij met zijn glimlach. In mijn hoofd tel ik een kwartier extra reistijd op.

Twee mannen

Twee mannen zitten voor in de auto. De man achter het stuur puft en zucht van binnen. De bijrijder zwaait om de zoveel tijd naar een bekende op straat. Op de achterbank zit een vrouw met een kind, die de portierraam opent en sluit. Zij zit pontificaal in het midden en vult mijn binnenspiegel.

Ik pak mijn stuurwiel stevig vast en er verschijnen witte knokkels. Ik zet de vaart er stevig in en haal twee keer net op tijd het oranje stoplicht. De vrouw mompelt wat in het Berbers en mijn bijrijder vertaalt: “Moeder van Omar bang. Anders overgeven.” Ik kijk in de binnenspiegel en zie een strenge blik. Ik kijk opzij en zie weer die vriendelijke lach. Ja, ik weet het.

Dan opeens roept hij dat ik moet stoppen. Ik protesteer: “Broeder, laten we vaart maken, ik moet nog helemaal naar Hengelo en heb eigenlijk niet zoveel tijd.” Ik had iets anders willen zeggen, maar zo heeft mijn moeder me niet opgevoed. We staan stil voor een kleine Marokkaanse supermarkt. De eigenaar van de zaak snelt naar buiten en groet mijn bebaarde reisgenoot hartelijk. Twee zoenen en een handkus, zo gaat dat met belangrijke mensen in de gemeenschap. Ze keuvelen vrolijk. Mijn rechtervoet begint te jeuken. Als ik nu plankgas geef, zou dat de ontvoering van zijn echtgenote betekenen. Ik kijk de vrouw in de binnenspiegel aan. Ik hoor haar denken: “Denk er niet aan!” Ik verbeeld mij hoe zij thuis de scepter zwaait. Geen weerwoord toegestaan, kinderen die niet buiten mogen spelen. Haar kindje tikt mij van achter mijn chauffeursstoel op mijn schouder en verstopt zich. Irritant kind.

Boodschappentas

Dan, na circa tien uur wachten, komt de man met twee goedgevulde boodschappentassen weer op mij afgelopen. Ik stap uit en doe de kofferbak open. Een watermeloen, druiven, tomaten, alles valt uit de tassen en rolt links en rechts in de kofferbak. Ik zie het met lede ogen aan en voeg weer een half uurtje toe aan mijn reistijd. De man heeft zelfs een speelgoedauto en een pop gekocht. Ach ja, waarom niet? We komen gezellig aan op Centraal Station, waar we snel worden opgemerkt door een bekende van mijn reisgenoot. Hij spreekt goed Nederlands en bedankt mij hartelijk.

Maar zijn blik is bezorgd. Ik vraag wat er is. “Ik moet mijn vader straks naar het ziekenhuis brengen. Het ziet er niet goed uit.” We praten even door. Het blijkt dat zijn vader ernstig ziek is, en dat hij eerder vanmiddag zomaar op straat flauw is gevallen. Iets met zijn nieren. Hij heeft pijn tijdens het lopen. Ik zak door de grond van schaamte. Ik wil mij verstoppen. Dan zegt de schat van de vader, in gebrekkig Nederlands: “Dank voor taxi. Boodschappen voor jou. Auto voor zoon, pop voor dochter. God met jou.” Ik schud stevig zijn handen en lach. Nee, denk ik, nee. God is met jou.

Dit artikel is gepubliceerd in Volzin.

Reageren?

Fijn dat u dit artikel heeft gelezen. Wees welkom met feedback, vragen of verzoeken.